Terug naar Genesis 28
VSV
Statenvertaling

Genesis 28:17

En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet anders dan het huis Gods, en dit is de poort des hemels.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 28 — omringende verzen

12

En hij droomde, en zie, een ladder was op de aarde gezet, en haar top raakte aan de hemel; en zie, de engelen Gods klommen daarlangs op en neder.

13

En zie, de HEER stond boven aan haar, en zeide: Ik ben de HEER, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; het land waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uw nageslacht;

14

En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen en naar het oosten, en naar het noorden en naar het zuiden; en in u en in uw nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.

15

En zie, Ik ben met u, en Ik zal u bewaren overal waar gij heengaat, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb.

16

En Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en hij zeide: Voorwaar, de HEER is in deze plaats, en ik wist het niet!

17

En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet anders dan het huis Gods, en dit is de poort des hemels.

18

En Jakob stond des morgens vroeg op, en nam de steen die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en stelde die tot een opgericht gedenkteken, en goot olie op haar top.

19

En hij noemde de naam van die plaats Beth-El; maar de naam van die stad was te voren Luz.

20

En Jakob deed een gelofte, zeggende: Indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg die ik ga, en mij brood zal geven om te eten, en kleding om aan te trekken,

21

Zodat ik in vrede wederkom tot het huis van mijn vader, dan zal de HEER mij tot een God zijn.

22

En deze steen, dien ik tot een opgericht gedenkteken gezet heb, zal een huis Gods zijn; en van alles wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker het tiende deel geven.