Terug naar Genesis 29
VSV
Statenvertaling

Genesis 29:8

En zij zeiden: Wij kunnen niet, totdat al de kudden verzameld zijn, en totdat zij de steen van de mond van de put rollen; dan drenken wij de schapen.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 29 — omringende verzen

3

En daarheen werden al de kudden verzameld, en zij rolden de steen van de mond van de put, en drenkten de schapen, en zetten de steen weer op de mond van de put, op zijn plaats.

4

En Jakob zeide tot hen: Mijn broeders, vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.

5

En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.

6

En hij zeide tot hen: Gaat het wel met hem? En zij zeiden: Het gaat wel met hem; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.

7

En hij zeide: Zie, het is nog hoog dag, het is nog geen tijd dat het vee verzameld wordt; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt ze.

8

En zij zeiden: Wij kunnen niet, totdat al de kudden verzameld zijn, en totdat zij de steen van de mond van de put rollen; dan drenken wij de schapen.

9

En terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel met de schapen van haar vader; want zij hoedde ze.

10

En het geschiedde, toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broeder van zijn moeder, en de schapen van Laban, de broeder van zijn moeder, dat Jakob naderbij kwam en de steen van de mond van de put rolde, en de kudde van Laban, de broeder van zijn moeder, drenkte.

11

En Jakob kuste Rachel, en verhief zijn stem en weende.

12

En Jakob verkondigde Rachel dat hij de broeder van haar vader was, en dat hij de zoon van Rebekka was; en zij liep en berichtte het haar vader.

13

En het geschiedde, toen Laban het bericht van Jakob, de zoon van zijn zuster, hoorde, dat hij hem tegemoet liep, en hem omhelsde en hem kuste, en hem bracht tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.