Genesis 29:9
“En terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel met de schapen van haar vader; want zij hoedde ze.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 29 — omringende verzen
En Jakob zeide tot hen: Mijn broeders, vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
5En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.
6En hij zeide tot hen: Gaat het wel met hem? En zij zeiden: Het gaat wel met hem; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
7En hij zeide: Zie, het is nog hoog dag, het is nog geen tijd dat het vee verzameld wordt; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt ze.
8En zij zeiden: Wij kunnen niet, totdat al de kudden verzameld zijn, en totdat zij de steen van de mond van de put rollen; dan drenken wij de schapen.
En terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel met de schapen van haar vader; want zij hoedde ze.
En het geschiedde, toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broeder van zijn moeder, en de schapen van Laban, de broeder van zijn moeder, dat Jakob naderbij kwam en de steen van de mond van de put rolde, en de kudde van Laban, de broeder van zijn moeder, drenkte.
11En Jakob kuste Rachel, en verhief zijn stem en weende.
12En Jakob verkondigde Rachel dat hij de broeder van haar vader was, en dat hij de zoon van Rebekka was; en zij liep en berichtte het haar vader.
13En het geschiedde, toen Laban het bericht van Jakob, de zoon van zijn zuster, hoorde, dat hij hem tegemoet liep, en hem omhelsde en hem kuste, en hem bracht tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.
14En Laban zeide tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees. En hij verbleef bij hem de tijd van een maand.