Terug naar Genesis 43
VSV
Statenvertaling

Genesis 43:14

En de almachtige God geve u barmhartigheid voor het aangezicht van de man, opdat hij uw andere broeder en Benjamin loslate. En wat mij aangaat, indien ik van mijn kinderen beroofd word, dan word ik beroofd.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 43 — omringende verzen

9

Ik zal borg voor hem staan; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem niet tot u breng en hem voor u stel, dan zal ik de schuld dragen voor altijd.

10

Want indien wij niet zo lang getalmd hadden, zouden wij nu zeker al voor de tweede maal teruggekeerd zijn.

11

En hun vader Israël zeide tot hen: Als het dan zo moet zijn, doet dit: neemt van de beste vruchten des lands in uw vaten mee, en brengt de man een geschenk: een weinig balsem en een weinig honing, specerijen en mirre, noten en amandelen.

12

En neemt dubbel geld in uw hand mee; en het geld dat in de opening van uw zakken was teruggelegd, brengt het opnieuw in uw hand mee; misschien was het een vergissing.

13

Neemt ook uw broeder mee, staat op en gaat opnieuw naar de man.

14

En de almachtige God geve u barmhartigheid voor het aangezicht van de man, opdat hij uw andere broeder en Benjamin loslate. En wat mij aangaat, indien ik van mijn kinderen beroofd word, dan word ik beroofd.

15

En de mannen namen dit geschenk mee, en zij namen dubbel geld in hun hand en Benjamin; en zij stonden op en daalden af naar Egypte, en stonden voor Jozef.

16

En toen Jozef Benjamin bij hen zag, zeide hij tot de opzichter van zijn huis: Breng deze mannen naar binnen, slacht en bereid het; want deze mannen zullen te middag bij mij aan tafel eten.

17

En de man deed zoals Jozef geboden had; en de man bracht de mannen in het huis van Jozef.

18

En de mannen waren bevreesd, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden; en zij zeiden: Vanwege het geld dat de eerste maal in onze zakken was teruggelegd, worden wij hierin gebracht, opdat hij aanleiding zoeke tegen ons en op ons afkomt en ons als slaven neemt, en onze ezels.

19

En zij naderden tot de opzichter van het huis van Jozef, en spraken met hem aan de deur van het huis,