Terug naar Handelingen 23
VSV
Statenvertaling

Handelingen 23:6

Maar toen Paulus bemerkte dat het ene deel sadduceeën waren en het andere farizeën, riep hij in de raad: Mannen en broeders, ik ben een farizeeër, een zoon van een farizeeër; over de hoop en de opstanding der doden word ik geoordeeld.

Kruisverwijzingen

Context

Handelingen 23 — omringende verzen

1

En Paulus zag de raad strak aan en zei: Mannen en broeders, ik heb met een volkomen goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag.

2

En de hogepriester Ananias beval hun die bij hem stonden, hem op de mond te slaan.

3

Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitkalkte wand! Want zit gij om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij mij te slaan tegen de wet in?

4

En zij die daarbij stonden, zeiden: Smaadt gij de hogepriester Gods?

5

Toen zei Paulus: Ik wist niet, broeders, dat hij de hogepriester was; want er staat geschreven: Gij zult geen kwaad spreken van de overste uws volks.

6

Maar toen Paulus bemerkte dat het ene deel sadduceeën waren en het andere farizeën, riep hij in de raad: Mannen en broeders, ik ben een farizeeër, een zoon van een farizeeër; over de hoop en de opstanding der doden word ik geoordeeld.

7

En toen hij dit gezegd had, ontstond er twist tussen de farizeën en de sadduceeën, en de menigte werd verdeeld.

8

Want de sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de farizeën belijden beide.

9

En er ontstond een groot geroep; en de schriftgeleerden van de partij der farizeën stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; maar indien een geest of een engel tot hem gesproken heeft, laten wij niet tegen God strijden.

10

En toen er een groot geschil ontstond, vreesde de overste over duizend dat Paulus door hen verscheurd zou worden; en hij beval de soldaten naar beneden te gaan en hem met geweld uit hun midden weg te nemen en in de vesting te brengen.

11

En de volgende nacht stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, Paulus; want zoals gij van Mij getuigd hebt te Jeruzalem, zo moet gij ook te Rome getuigen.