Handelingen 26:9
“Ik was inderdaad van mening dat ik veel moest doen tegen de naam van Jezus van Nazareth.”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 26 — omringende verzen
Mijn levenswandel van mijn jeugd af aan, die ik van het begin af onder mijn eigen volk te Jeruzalem heb geleid, is alle Joden bekend;
5zij kennen mij van den beginne, en als zij willen getuigen, dan kunnen zij zeggen dat ik als een Farizeeër geleefd heb, overeenkomstig de strengste richting van onze godsdienst.
6En nu sta ik hier terecht vanwege de hoop op de belofte die door God aan onze vaderen gedaan is,
7tot welke belofte onze twaalf stammen hopen te komen, terwijl zij dag en nacht God ernstig dienen. Om die hoop, koning Agrippa, word ik door de Joden beschuldigd.
8Waarom zou het u ongelooflijk toeschijnen dat God de doden opwekt?
Ik was inderdaad van mening dat ik veel moest doen tegen de naam van Jezus van Nazareth.
Dat heb ik ook gedaan te Jeruzalem; en velen van de heiligen heb ik in de gevangenis opgesloten, nadat ik daartoe bevoegdheid van de overpriesters had ontvangen; en wanneer zij ter dood gebracht werden, stemde ik daarmee in.
11En ik heb hen dikwijls in alle synagogen gestraft en hen trachten te dwingen te lasteren; en in buitensporige razernij tegen hen heb ik hen zelfs tot in vreemde steden vervolgd.
12Terwijl ik zo op weg was naar Damascus, met gezag en opdracht van de overpriesters,
13zag ik op de middag, o koning, op de weg een licht uit de hemel, helderder dan de zon, dat mij en hen die met mij reisden omstraalde.
14En toen wij allen ter aarde gevallen waren, hoorde ik een stem die in de Hebreeuwse taal tot mij sprak: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? Het is u hard tegen de prikkels te slaan.