Hooglied 1:12
“Terwijl de koning aan zijn tafel zit, verspreidt mijn nardus zijn geur.”
Kruisverwijzingen
Context
Hooglied 1 — omringende verzen
Zeg mij, o gij dien mijn ziel liefheeft, waar gij weidt, waar gij uw kudde doet rusten te middag; want waarom zou ik zijn als een die afdwaalt bij de kudden van uw metgezellen?
8Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen, ga dan uit op het spoor van de kudde, en weid uw geitjes bij de tenten van de herders.
9Ik vergelijk u, o mijn liefste, bij een rij paarden voor de wagens van Farao.
10Uw wangen zijn liefelijk met sieradenrijen, uw hals met gouden kettingen.
11Wij zullen voor u gouden omzetsels maken met zilveren knopen.
Terwijl de koning aan zijn tafel zit, verspreidt mijn nardus zijn geur.
Een bundel mirre is mijn beminde voor mij; hij zal de nacht doorbrengen tussen mijn borsten.
14Mijn beminde is voor mij als een tros henna in de wijngaarden van Engedi.
15Zie, gij zijt schoon, mijn liefste; zie, gij zijt schoon; gij hebt duivenogen.
16Zie, gij zijt schoon, mijn beminde, ja, liefelijk; ook ons leger is groen.
17De balken van ons huis zijn cederen, en onze zoldering van cypressen.