Hooglied 8:1
“O, waart gij als mijn broeder, die de borsten van mijn moeder gezogen heeft! Als ik u buiten vond, zou ik u kussen; ja, men zou mij niet verachten.”
Kruisverwijzingen
Context
Hooglied 8 — omringende verzen
O, waart gij als mijn broeder, die de borsten van mijn moeder gezogen heeft! Als ik u buiten vond, zou ik u kussen; ja, men zou mij niet verachten.
Ik zou u leiden en u brengen in het huis van mijn moeder, die mij onderwijzen zou; ik zou u doen drinken van gekruide wijn, van het sap van mijn granaatappel.
3Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en zijn rechterhand omhelze mij.
4Ik bezweer u, o dochters van Jeruzalem, dat gij mijn liefde niet opwekt noch wakker maakt, totdat het haar belieft.
5Wie is zij, die opkomt uit de woestijn, leunende op haar geliefde? Ik wekte u op onder de appelboom; daar baarde uw moeder u, daar baarde zij u die u gebaard heeft.
6Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm; want de liefde is sterk als de dood, de ijver is wreed als het graf; haar gloed is een gloed van vuur, een zeer hevige vlam.