Hooglied 8:4
“Ik bezweer u, o dochters van Jeruzalem, dat gij mijn liefde niet opwekt noch wakker maakt, totdat het haar belieft.”
Kruisverwijzingen
Context
Hooglied 8 — omringende verzen
O, waart gij als mijn broeder, die de borsten van mijn moeder gezogen heeft! Als ik u buiten vond, zou ik u kussen; ja, men zou mij niet verachten.
2Ik zou u leiden en u brengen in het huis van mijn moeder, die mij onderwijzen zou; ik zou u doen drinken van gekruide wijn, van het sap van mijn granaatappel.
3Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en zijn rechterhand omhelze mij.
Ik bezweer u, o dochters van Jeruzalem, dat gij mijn liefde niet opwekt noch wakker maakt, totdat het haar belieft.
Wie is zij, die opkomt uit de woestijn, leunende op haar geliefde? Ik wekte u op onder de appelboom; daar baarde uw moeder u, daar baarde zij u die u gebaard heeft.
6Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm; want de liefde is sterk als de dood, de ijver is wreed als het graf; haar gloed is een gloed van vuur, een zeer hevige vlam.
7Vele wateren kunnen de liefde niet blussen, en rivieren kunnen haar niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor de liefde, hij zou ten enenmale veracht worden.
8Wij hebben een kleine zuster, en zij heeft geen borsten; wat zullen wij voor onze zuster doen op de dag dat over haar gesproken wordt?
9Als zij een muur is, zullen wij op haar een zilveren paleis bouwen; en als zij een deur is, zullen wij haar omschotten met cederen planken.