Jeremia 22:20
“Klimt op de Libanon en roept, en verheft uw stem in Basan, en roept vanuit de bergpassen; want al uw minnaars zijn verwoest.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 22 — omringende verzen
Zult gij regeren, omdat gij u omsluit met cederhout? Heeft uw vader niet gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en toen ging het hem goed?
16Hij berechtte de zaak van de arme en de behoeftige; toen ging het goed; was dat niet Mij kennen? zegt de HEER.
17Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw hebzucht, en op het vergieten van onschuldig bloed, en op verdrukking en op geweld, om die te doen.
18Daarom, zo zegt de HEER aangaande Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: Men zal over hem geen rouwklacht aanheffen, zeggende: Ach, mijn broeder! of: Ach, zuster! Men zal over hem geen rouwklacht aanheffen, zeggende: Ach, Heer! of: Ach, zijn heerlijkheid!
19Hij zal begraven worden met de begrafenis van een ezel, gesleept en weggeworpen buiten de poorten van Jeruzalem.
Klimt op de Libanon en roept, en verheft uw stem in Basan, en roept vanuit de bergpassen; want al uw minnaars zijn verwoest.
Ik heb tot u gesproken in uw voorspoed, maar gij zei: Ik wil niet horen. Dit is uw gewoonte geweest van uw jeugd af, dat gij Mijn stem niet gehoorzaamde.
22De wind zal al uw herders opeten, en uw minnaars zullen in gevangenschap gaan; dan zult gij zeker beschaamd en vernederd zijn om al uw slechtheid.
23O bewoner van de Libanon, die uw nest maakt in de ceders, hoe zult gij te beklagen zijn wanneer de smarten over u komen, de pijn als van een vrouw die baart!
24Zo waarlijk als Ik leef, zegt de HEER, al was Konia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, het zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik u van daar wegrukken;
25En Ik zal u geven in de hand van hen die uw leven zoeken, en in de hand van hen voor wie uw aangezicht vreest, ja in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.