Terug naar Jeremia 8
VSV
Statenvertaling

Jeremia 8:14

Waarom zitten wij stil? Vergadert u, en laat ons ingaan in de versterkte steden, en laat ons daar zwijgen; want de HEER onze God heeft ons tot zwijgen gebracht en ons galachtig water te drinken gegeven, omdat wij tegen de HEER gezondigd hebben.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 8 — omringende verzen

9

De wijzen staan beschaamd, zij zijn ontzet en gevangen; zie, zij hebben het woord van de HEER verworpen; en wat voor wijsheid is er in hen?

10

Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, en hun akkers aan hen die hen zullen erven; want een ieder, van de kleinste tot de grootste, is aan gierigheid overgegeven; van de profeet tot de priester bedrijft een ieder bedrog.

11

Want zij hebben de wond van de dochter van Mijn volk oppervlakkig genezen, zeggende: Vrede, vrede; terwijl er geen vrede is.

12

Schaamden zij zich toen zij een gruwel hadden bedreven? Neen, zij schaamden zich gansch niet, noch konden zij blozen; daarom zullen zij vallen onder hen die vallen; ten tijde van hun bezoeking zullen zij worden neergeworpen, zegt de HEER.

13

Ik zal hen zeker te niet doen, zegt de HEER: er zullen geen druiven aan de wijnstok zijn, noch vijgen aan de vijgenboom, en het blad zal verwelken; en wat Ik hun gegeven heb zal van hen weggaan.

14

Waarom zitten wij stil? Vergadert u, en laat ons ingaan in de versterkte steden, en laat ons daar zwijgen; want de HEER onze God heeft ons tot zwijgen gebracht en ons galachtig water te drinken gegeven, omdat wij tegen de HEER gezondigd hebben.

15

Wij wachtten op vrede, maar er kwam niets goeds; en op een tijd van genezing, maar zie, verschrikking!

16

Het gesnuif van zijn paarden werd gehoord van Dan af; het gehele land beefde van het geluid van het hinniken van zijn sterke paarden; want zij zijn gekomen en hebben het land verslonden, en alles wat daarin is; de stad en hen die daarin wonen.

17

Want zie, Ik zal slangen onder u zenden, adders, die niet bezworen kunnen worden, en zij zullen u bijten, zegt de HEER.

18

Wanneer ik mijzelf tegen smart wil troosten, bezwijmt mijn hart in mij.

19

Zie, de stem van de roep van de dochter van Mijn volk, vanwege hen die in een ver land wonen: Is de HEER niet in Sion? is haar Koning niet in haar? Waarom hebben zij Mij tot toorn verwekt met hun gesneden beelden en met vreemde ijdelheden?