Jesaja 48:6
“Gij hebt dit alles gehoord, aanschouwt het — zult gij het dan niet verkondigen? Ik heb u nieuwe dingen van nu af doen horen, verborgen dingen die gij niet kende.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 48 — omringende verzen
Hoort dit, o huis van Jakob, die bij de naam van Israël wordt genoemd, en voortgekomen zijn uit de wateren van Juda, die zweren bij de naam van de HEER, en de God van Israël gedenken, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
2Want zij noemen zichzelf van de heilige stad, en steunen op de God van Israël; de HEER der heerscharen is Zijn naam.
3Ik heb de vroegere dingen van den beginne verkondigd; zij gingen uit Mijn mond en Ik maakte ze bekend; Ik deed ze plotseling, en zij kwamen tot stand.
4Want Ik wist dat gij halsstarrig zijt, en dat uw nek een ijzeren pees is, en uw voorhoofd van koper.
5Ik heb het u van den beginne verkondigd; voordat het geschiedde maakte Ik het u bekend: opdat gij niet zoudt zeggen: Mijn afgod heeft dit gedaan, en mijn gesneden beeld, en mijn gegoten beeld heeft het bevolen.
Gij hebt dit alles gehoord, aanschouwt het — zult gij het dan niet verkondigen? Ik heb u nieuwe dingen van nu af doen horen, verborgen dingen die gij niet kende.
Zij zijn nu geschapen, en niet van oudsher; zelfs vóór de dag dat gij ze niet gehoord hebt; opdat gij niet zoudt zeggen: Zie, ik wist ze reeds.
8Ja, gij hebt het niet gehoord; ja, gij hebt het niet geweten; ja, van die tijd af was uw oor niet geopend: want Ik wist dat gij zeer trouweloos zoudt handelen, en dat gij van de moederschoot af een overtreder werd genoemd.
9Om Mijns naams wil stel Ik Mijn toorn uit, en omwille van Mijn lof bedwing Ik Mij jegens u, opdat Ik u niet afsnijde.
10Zie, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver; Ik heb u uitgekozen in de smeltkroes der verdrukking.
11Om Mijnentwil, ja om Mijnentwil zal Ik het doen; want hoe zou Mijn naam ontheiligd worden? En Mijn eer zal Ik aan een ander niet geven.