Jesaja 6:2
“Daarboven stonden de serafs: elk had zes vleugels; met twee bedekte hij zijn gezicht en met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 6 — omringende verzen
In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik ook de HEER, gezeten op een troon, hoog en verheven, en Zijn sleep vulde de tempel.
Daarboven stonden de serafs: elk had zes vleugels; met twee bedekte hij zijn gezicht en met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij.
En de een riep tot de ander en zei: Heilig, heilig, heilig is de HEER der heerscharen; de gehele aarde is vol van Zijn heerlijkheid.
4En de deurposten bewogen bij de stem van hem die riep, en het huis werd gevuld met rook.
5Toen zei ik: Wee mij! want ik ben verloren; omdat ik een man van onreine lippen ben en ik woon te midden van een volk van onreine lippen; want mijn ogen hebben de Koning gezien, de HEER der heerscharen.
6Toen vloog een van de serafs naar mij toe, met in zijn hand een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen,
7en hij legde die op mijn mond en zei: Zie, dit heeft uw lippen aangeraakt; uw ongerechtigheid is weggenomen en uw zonde is verzoend.