Jesaja 63:8
“Want Hij zei: Zij zijn toch Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen; zo was Hij hun tot een Verlosser.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 63 — omringende verzen
Ik heb de wijnpers alleen getreden; en van de volken was er niemand met Mij; want Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en hen vertreden in Mijn grimmigheid; en hun bloed is op Mijn klederen gesprengd, en Ik heb al Mijn gewaad bevlekt.
4Want de dag der wraak is in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten is gekomen.
5En Ik zag, en er was niemand die hielp; en Ik verwonderde Mij dat er niemand was die ondersteunde; daarom heeft Mijn eigen arm Mij heil gebracht, en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid, en Ik heb hun kracht ter aarde neergestort.
7Ik zal de gunstbewijzen des HEREN vermelden, en de lofprijzingen des HEREN, naar alles wat de HEER ons heeft bewezen, en de grote goedheid jegens het huis van Israël, die Hij hun heeft bewezen naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn gunstbewijzen.
Want Hij zei: Zij zijn toch Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen; zo was Hij hun tot een Verlosser.
In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost; in Zijn liefde en in Zijn mededogen heeft Hij hen verlost; en Hij heeft hen opgeheven en gedragen al de dagen van ouds.
10Maar zij waren weerspannig en verbitterden Zijn heilige Geest; daarom werd Hij hun tot een vijand, en Zelf streed Hij tegen hen.
11Toen gedacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk, zeggende: Waar is Hij Die hen uit de zee deed optrekken met de herder van Zijn kudde? Waar is Hij Die Zijn heilige Geest in hem stelde?
12Die de rechterhand van Mozes deed gaan door Zijn heerlijke arm, de wateren voor hen spleet, om Zich een eeuwige naam te maken?
13Die hen leidde door de diepten, als een paard in de woestijn, zodat zij niet struikelden?