Jesaja 63:13
“Die hen leidde door de diepten, als een paard in de woestijn, zodat zij niet struikelden?”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 63 — omringende verzen
Want Hij zei: Zij zijn toch Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen; zo was Hij hun tot een Verlosser.
9In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost; in Zijn liefde en in Zijn mededogen heeft Hij hen verlost; en Hij heeft hen opgeheven en gedragen al de dagen van ouds.
10Maar zij waren weerspannig en verbitterden Zijn heilige Geest; daarom werd Hij hun tot een vijand, en Zelf streed Hij tegen hen.
11Toen gedacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk, zeggende: Waar is Hij Die hen uit de zee deed optrekken met de herder van Zijn kudde? Waar is Hij Die Zijn heilige Geest in hem stelde?
12Die de rechterhand van Mozes deed gaan door Zijn heerlijke arm, de wateren voor hen spleet, om Zich een eeuwige naam te maken?
Die hen leidde door de diepten, als een paard in de woestijn, zodat zij niet struikelden?
Gelijk het vee neerdaalt in de vallei, zo heeft de Geest des HEREN hen doen rusten; zo hebt Gij Uw volk geleid, om Uzelf een heerlijke naam te maken.
15Zie neder uit de hemel en aanschouw het vanuit de woning van Uw heiligheid en van Uw heerlijkheid; waar is Uw ijver en Uw kracht, de beweging van Uw ingewanden en van Uw barmhartigheden jegens mij? Zijn zij ingehouden?
16Voorwaar, Gij zijt onze Vader, al kent Abraham ons niet, en al erkent Israël ons niet; Gij, o HEER, zijt onze Vader, onze Verlosser; Uw naam is van eeuwigheid.
17O HEER, waarom doet Gij ons dwalen van Uw wegen, en verhardt Gij ons hart, zodat wij U niet vrezen? Keer terug, om Uwer knechten wil, om de stammen van Uw erfdeel.
18Het volk van Uw heiligheid heeft het slechts een korte tijd bezeten; onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertreden.