Job 20:11
“Zijn beenderen zijn vol van de zonde van zijn jeugd, welke met hem zal neerliggen in het stof.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 20 — omringende verzen
Al rijst zijn grootheid op tot de hemelen, en al reikt zijn hoofd tot aan de wolken;
7Toch zal hij voor eeuwig vergaan als zijn eigen drek; wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?
8Hij zal wegvliegen als een droom, en niet gevonden worden; ja, hij zal worden weggejaagd als een nachtgezicht.
9Het oog dat hem gezien heeft, zal hem niet meer zien; noch zal zijn plaats hem ooit meer aanschouwen.
10Zijn kinderen zullen de armen trachten te behagen, en zijn handen zullen hun goederen teruggeven.
Zijn beenderen zijn vol van de zonde van zijn jeugd, welke met hem zal neerliggen in het stof.
Al is boosheid zoet in zijn mond, al verbergt hij die onder zijn tong;
13Al ontziet hij die en laat haar niet los, maar behoudt haar nog in zijn mond;
14Toch wordt zijn spijze in zijn ingewanden omgekeerd; het is het gal der adders binnenin hem.
15Hij heeft rijkdom doorgeslikt, maar hij zal die weder uitspuwen; God zal die uit zijn buik uitwerpen.
16Hij zal het gif der adders zuigen; de tong van de viper zal hem doden.