Job 20:9
“Het oog dat hem gezien heeft, zal hem niet meer zien; noch zal zijn plaats hem ooit meer aanschouwen.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 20 — omringende verzen
Weet gij dit niet van oudsher, sedert de mens op aarde is geplaatst,
5Dat de triomf van de goddeloze van korte duur is, en de vreugde van de huichelaar maar een ogenblik?
6Al rijst zijn grootheid op tot de hemelen, en al reikt zijn hoofd tot aan de wolken;
7Toch zal hij voor eeuwig vergaan als zijn eigen drek; wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?
8Hij zal wegvliegen als een droom, en niet gevonden worden; ja, hij zal worden weggejaagd als een nachtgezicht.
Het oog dat hem gezien heeft, zal hem niet meer zien; noch zal zijn plaats hem ooit meer aanschouwen.
Zijn kinderen zullen de armen trachten te behagen, en zijn handen zullen hun goederen teruggeven.
11Zijn beenderen zijn vol van de zonde van zijn jeugd, welke met hem zal neerliggen in het stof.
12Al is boosheid zoet in zijn mond, al verbergt hij die onder zijn tong;
13Al ontziet hij die en laat haar niet los, maar behoudt haar nog in zijn mond;
14Toch wordt zijn spijze in zijn ingewanden omgekeerd; het is het gal der adders binnenin hem.