Job 20:6
“Al rijst zijn grootheid op tot de hemelen, en al reikt zijn hoofd tot aan de wolken;”
Kruisverwijzingen
Context
Job 20 — omringende verzen
Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zeide:
2Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en hierom maak ik haast.
3Ik heb de berisping van mijn smaad gehoord, en de geest van mijn verstand doet mij antwoorden.
4Weet gij dit niet van oudsher, sedert de mens op aarde is geplaatst,
5Dat de triomf van de goddeloze van korte duur is, en de vreugde van de huichelaar maar een ogenblik?
Al rijst zijn grootheid op tot de hemelen, en al reikt zijn hoofd tot aan de wolken;
Toch zal hij voor eeuwig vergaan als zijn eigen drek; wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?
8Hij zal wegvliegen als een droom, en niet gevonden worden; ja, hij zal worden weggejaagd als een nachtgezicht.
9Het oog dat hem gezien heeft, zal hem niet meer zien; noch zal zijn plaats hem ooit meer aanschouwen.
10Zijn kinderen zullen de armen trachten te behagen, en zijn handen zullen hun goederen teruggeven.
11Zijn beenderen zijn vol van de zonde van zijn jeugd, welke met hem zal neerliggen in het stof.