Job 26:9
“Hij verbergt het aangezicht van Zijn troon, en spreidt Zijn wolk daarover uit.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 26 — omringende verzen
Tot wie hebt gij woorden gesproken? En wiens geest is van u uitgegaan?
5De doden worden gevormd vanonder de wateren, en hun bewoners.
6Het dodenrijk ligt naakt voor Hem, en het verderf heeft geen bedekking.
7Hij strekt het noorden uit over de lege ruimte, en hangt de aarde op aan het niets.
8Hij bindt de wateren in Zijn dichte wolken; en de wolk scheurt niet onder hen.
Hij verbergt het aangezicht van Zijn troon, en spreidt Zijn wolk daarover uit.
Hij heeft de wateren omgeven met grenzen, totdat de dag en de nacht een einde nemen.
11De pilaren des hemels beven en staan verbijsterd van Zijn berisping.
12Hij klieft de zee door Zijn kracht, en door Zijn inzicht verplettert Hij de trotse.
13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de kronkelende slang gevormd.
14Zie, dit zijn slechts de randen van Zijn wegen; maar hoe gering een deel wordt er van Hem gehoord? Wie kan dan de donder van Zijn macht begrijpen?