Job 39:18
“Zodra zij zich omhoog verheft, lacht zij om het paard en zijn ruiter.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 39 — omringende verzen
Hebt gij de pauwen hun prachtige vleugels gegeven? Of aan de ooievaar vleugels en vederen?
14Die haar eieren in de aarde achterlaat en ze in het stof laat verwarmen,
15En vergeet dat de voet ze kan vertreden of het wild gedierte ze kan verbreken.
16Zij is hard tegen haar jongen alsof ze niet van haar zijn; haar inspanning is tevergeefs, zonder vrees;
17Want God heeft haar van wijsheid beroofd en haar geen verstand toebedeeld.
Zodra zij zich omhoog verheft, lacht zij om het paard en zijn ruiter.
Hebt gij het paard kracht gegeven? Hebt gij zijn nek met een donderende manen bekleed?
20Kunt gij het doen opspringen als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is schrikwekkend.
21Het krabt in het dal en verheugt zich in zijn kracht; het trekt uit de gewapenden tegemoet.
22Het lacht om vrees en wordt niet verschrikt; het wijkt niet terug voor het zwaard.
23De pijlkoker rammelt tegen hem, de flikkerende speer en de lans.