Job 4:18
“Zie, op Zijn dienaren stelt Hij geen vertrouwen, en Zijn engelen rekent Hij dwaasheid toe:”
Kruisverwijzingen
Context
Job 4 — omringende verzen
In gedachten uit de nachtgezichten, wanneer diepe slaap op de mensen valt,
14Overviel mij vrees en beving, die al mijn beenderen deed schudden.
15Toen ging een geest voor mijn aangezicht voorbij; het haar van mijn vlees rees te berge:
16Hij stond stil, maar ik kon zijn gedaante niet onderscheiden; een beeld was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem die zeide:
17Kan een sterfelijk mens rechtvaardiger zijn dan God? Kan een man reiner zijn dan zijn Maker?
Zie, op Zijn dienaren stelt Hij geen vertrouwen, en Zijn engelen rekent Hij dwaasheid toe:
Hoeveel te minder dan hen die in huizen van leem wonen, wier grondslag in het stof is, die verplet worden voor een mot?
20Van de morgen tot de avond worden zij vernield; zij vergaan voor eeuwig, zonder dat iemand er acht op slaat.
21Vaart hun uitnemendheid niet weg? Zij sterven, zelfs zonder wijsheid.