VSV
StatenvertalingJob 41:2
“Kunt U een haak in zijn neus slaan? of zijn kaak doorboren met een doorn?”
Kruisverwijzingen
Context
Job 41 — omringende verzen
1
Kunt gij de leviathan met een vishaak optrekken? Of zijn tong met een koord dat gij laat zakken?
2
3Kunt U een haak in zijn neus slaan? of zijn kaak doorboren met een doorn?
Zal hij U vele smeekbeden doen? zal hij U zachte woorden spreken?
4Zal hij een verbond met U sluiten? zult U hem aannemen als een knecht voor altijd?
5Zult U met hem spelen als met een vogel? of hem binden voor uw dienstmeisjes?
6Zullen de metgezellen een feestmaal van hem maken? zullen zij hem verdelen onder de kooplieden?
7Kunt U zijn huid vullen met weerhaken? of zijn hoofd met vissperen?