Terug naar Joël 2
VSV
Statenvertaling

Joël 2:8

En de een zal de ander niet dringen; zij zullen ieder zijn pad bewandelen; en wanneer zij op het zwaard vallen, zullen zij niet gewond worden.

Kruisverwijzingen

Context

Joël 2 — omringende verzen

3

Voor hen verteert een vuur, en achter hen brandt een vlam; het land is voor hen als de hof van Eden, en achter hen een woeste wildernis; ja, niets zal hen ontkomen.

4

Hun aanzien is als het aanzien van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.

5

Gelijk het gedreun van wagens op de toppen der bergen zullen zij springen, gelijk het geknetter van een vuurvlam die de stoppels verteert, als een sterk volk opgesteld ten strijde.

6

Voor hun aangezicht zullen de volken sidderen; alle gezichten zullen bleek worden.

7

Zij zullen lopen als helden; zij zullen de muur beklimmen als krijgslieden; en zij zullen ieder zijn weg gaan, en zij zullen hun gelederen niet breken.

8

En de een zal de ander niet dringen; zij zullen ieder zijn pad bewandelen; en wanneer zij op het zwaard vallen, zullen zij niet gewond worden.

9

Zij zullen door de stad heen en weer lopen; zij zullen op de muur lopen, zij zullen de huizen beklimmen; zij zullen als een dief door de vensters binnendringen.

10

De aarde zal voor hen beven; de hemelen zullen trillen: de zon en de maan zullen verduisterd worden, en de sterren zullen hun glans intrekken.

11

En de HEER zal Zijn stem verheffen voor Zijn leger; want Zijn leger is zeer groot; want hij is machtig die Zijn woord uitvoert; want de dag van de HEER is groot en zeer vreselijk; en wie kan hem verdragen?

12

Daarom ook nu, spreekt de HEER, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten, en met wenen, en met rouwklagen.

13

En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot de HEER uw God; want Hij is genadig en barmhartig, traag tot toorn en groot van goedertierenheid, en berouwt Hem het kwade.