Johannes 18:8
“Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben; indien u dan Mij zoekt, laat dezen gaan;”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 18 — omringende verzen
Judas dan, een bende soldaten en dienaren van de overpriesters en Farizeeën ontvangen hebbende, kwam daarheen met lantaarns en fakkels en wapenen.
4Jezus dan, wetende alles wat Hem overkomen zou, trad naar voren en zeide tot hen: Wie zoekt u?
5Zij antwoordden Hem: Jezus van Nazareth. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En ook Judas, die Hem verraadde, stond bij hen.
6Zodra Hij dan tot hen gezegd had: Ik ben het, weken zij terug en vielen op de grond.
7Toen vroeg Hij hun opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus van Nazareth.
Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben; indien u dan Mij zoekt, laat dezen gaan;
Opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had: Van hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren laten gaan.
10Simon Petrus dan, een zwaard hebbende, trok het uit en sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw zijn rechteroor af. De naam van de knecht was Malchus.
11Toen zeide Jezus tot Petrus: Steek het zwaard in de schede; de drinkbeker die Mijn Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?
12De bende dan en de overste en de dienaren der Joden grepen Jezus en bonden Hem,
13En leidden Hem eerst naar Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die hogepriester was in dat jaar.