Johannes 2:8
“En Hij zeide tot hen: Schept nu en brengt het naar de hofmeester. En zij brachten het.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 2 — omringende verzen
En toen de wijn opraakte, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
4Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te maken? Mijn ure is nog niet gekomen.
5Zijn moeder zeide tot de dienaars: Wat Hij u ook zegt, doet dat.
6En daar stonden zes stenen watervaten, naar de reinigingswijze der Joden, elk twee of drie metreten houdende.
7Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.
En Hij zeide tot hen: Schept nu en brengt het naar de hofmeester. En zij brachten het.
Toen de hofmeester het water geproefd had dat wijn geworden was, en niet wist vanwaar het was (maar de dienaars die het water geschept hadden, wisten het), riep de hofmeester de bruidegom,
10En hij zeide tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn voor; en wanneer men goed gedronken heeft, dan wat minder is; maar u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.
11Dit begin van tekenen deed Jezus te Kana in Galilea, en Hij openbaarde Zijn heerlijkheid; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
12Daarna daalde Hij af naar Kapernaüm, Hij en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn discipelen; en zij bleven daar niet vele dagen.
13En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.