Johannes 4:32
“Maar Hij zei tegen hen: Ik heb een spijs om te eten die u niet kent.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 4 — omringende verzen
En hierop kwamen Zijn discipelen, en zij verwonderden zich dat Hij met de vrouw sprak; toch zei niemand: Wat zoekt U, of: Waarom spreekt U met haar?
28De vrouw dan liet haar waterkruik staan, ging weg naar de stad, en zei tegen de mensen:
29Komt, ziet een Mens, Die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; zou Hij niet de Christus zijn?
30Zij dan gingen uit de stad en kwamen naar Hem toe.
31Ondertussen vroegen Zijn discipelen Hem, zeggende: Rabbi, eet.
Maar Hij zei tegen hen: Ik heb een spijs om te eten die u niet kent.
Toen zeiden de discipelen tegen elkaar: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht?
34Jezus zei tegen hen: Mijn spijs is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng.
35Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Hef uw ogen op en zie de velden, want zij zijn al wit om te oogsten.
36En wie oogst, ontvangt loon en vergadert vrucht tot het eeuwige leven, zodat hij die zaait en hij die oogst, samen verblijden.
37En hierin is dat woord waar: De een zaait en de ander oogst.