Johannes 4:30
“Zij dan gingen uit de stad en kwamen naar Hem toe.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 4 — omringende verzen
De vrouw zei tegen Hem: Ik weet dat de Messias komt, Die Christus genoemd wordt; wanneer Die gekomen is, zal Hij ons alles verkondigen.
26Jezus zei tegen haar: Ik ben het, Die met u spreek.
27En hierop kwamen Zijn discipelen, en zij verwonderden zich dat Hij met de vrouw sprak; toch zei niemand: Wat zoekt U, of: Waarom spreekt U met haar?
28De vrouw dan liet haar waterkruik staan, ging weg naar de stad, en zei tegen de mensen:
29Komt, ziet een Mens, Die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; zou Hij niet de Christus zijn?
Zij dan gingen uit de stad en kwamen naar Hem toe.
Ondertussen vroegen Zijn discipelen Hem, zeggende: Rabbi, eet.
32Maar Hij zei tegen hen: Ik heb een spijs om te eten die u niet kent.
33Toen zeiden de discipelen tegen elkaar: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht?
34Jezus zei tegen hen: Mijn spijs is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng.
35Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Hef uw ogen op en zie de velden, want zij zijn al wit om te oogsten.