Jona 4:5
“Jona ging de stad uit en zette zich neer aan de oostkant van de stad; daar maakte hij voor zichzelf een hut en zat eronder in de schaduw, om te zien wat er met de stad zou gebeuren.”
Kruisverwijzingen
Context
Jona 4 — omringende verzen
Maar dit was Jona uitermate mishaaglijk, en hij ontstak in toorn.
2Hij bad tot de HEER en zei: O HEER, was dit niet wat ik zei, toen ik nog in mijn land was? Daarom was ik tevoren gevlucht naar Tarsis; want ik wist dat U een genadig God bent, barmhartig, lankmoedig en van grote goedertierenheid, en berouw hebbend over het kwaad.
3Neem dan nu, o HEER, mijn leven van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.
4Toen zei de HEER: Doet u er goed aan zo toornig te zijn?
Jona ging de stad uit en zette zich neer aan de oostkant van de stad; daar maakte hij voor zichzelf een hut en zat eronder in de schaduw, om te zien wat er met de stad zou gebeuren.
De HEER God nu bereidde een wonderboom en liet die opkomen boven Jona, zodat die schaduw zou geven over zijn hoofd en hem zou verlossen van zijn verdriet. Jona was uitermate verblijd over de wonderboom.
7Maar God bereidde een worm bij het aanbreken van de volgende dag, en die stak de wonderboom aan, zodat hij verdorde.
8En het gebeurde, toen de zon opkwam, dat God een snijdende oostenwind bereidde; en de zon sloeg op het hoofd van Jona, zodat hij flauwviel en voor zichzelf wenste te sterven, en zei: Het is mij beter te sterven dan te leven.
9God zei tot Jona: Doet u er goed aan zo toornig te zijn over de wonderboom? En hij zei: Ik doe er goed aan zo toornig te zijn, tot de dood toe.
10Toen zei de HEER: U hebt medelijden gehad met de wonderboom, waarvoor u niet gewerkt hebt en die u niet groot hebt gemaakt; die in één nacht opkwam en in één nacht verging.