Terug naar Jozua 7
VSV
Statenvertaling

Jozua 7:6

En Jozua scheurde zijn klederen en viel ter aarde op zijn aangezicht voor de ark van de HEER tot de avond, hij en de oudsten van Israël, en zij wierpen stof op hun hoofd.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 7 — omringende verzen

1

Maar de kinderen van Israël begingen een overtreding met het gebannene; want Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het gebannene; en de toorn van de HEER ontbrandde tegen de kinderen van Israël.

2

En Jozua zond mannen van Jericho naar Ai, dat naast Beth-Aven ligt, ten oosten van Bethel, en sprak tot hen, zeggende: Trek op en verken het land. En de mannen trokken op en verkennen Ai.

3

En zij keerden terug tot Jozua en zeiden tot hem: Laat het gehele volk niet optrekken; maar laat ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; en vermoei het gehele volk niet daarheen, want zij zijn weinig in getal.

4

Zo trokken er van het volk ongeveer drieduizend man op; maar zij vluchtten voor de mannen van Ai.

5

En de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; want zij joegen hen na van voor de poort tot aan Sebarim, en versloegen hen op de helling; waardoor de harten van het volk versmolten en werden als water.

6

En Jozua scheurde zijn klederen en viel ter aarde op zijn aangezicht voor de ark van de HEER tot de avond, hij en de oudsten van Israël, en zij wierpen stof op hun hoofd.

7

En Jozua zeide: Ach, HEER God, waarom hebt U dit volk toch de Jordaan overgeleid, om ons over te leveren in de hand der Amorieten, opdat zij ons zouden verdelgen? Hadden wij maar genoegen genomen en aan de overzijde van de Jordaan gebleven!

8

O HEER, wat zal ik zeggen, nu Israël de rug keert voor zijn vijanden!

9

Want de Kanaänieten en alle inwoners van het land zullen het horen, en zij zullen ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien; en wat zult U dan doen voor Uw grote naam?

10

En de HEER zeide tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij aldus op uw aangezicht?

11

Israël heeft gezondigd, en zij hebben ook mijn verbond overtreden dat Ik hun gebood; want zij hebben genomen van het gebannene, en ook gestolen, en ook bedrogen, en het zelfs onder hun eigen goederen gelegd.