Jozua 7:8
“O HEER, wat zal ik zeggen, nu Israël de rug keert voor zijn vijanden!”
Kruisverwijzingen
Context
Jozua 7 — omringende verzen
En zij keerden terug tot Jozua en zeiden tot hem: Laat het gehele volk niet optrekken; maar laat ongeveer twee- of drieduizend man optrekken om Ai te verslaan; en vermoei het gehele volk niet daarheen, want zij zijn weinig in getal.
4Zo trokken er van het volk ongeveer drieduizend man op; maar zij vluchtten voor de mannen van Ai.
5En de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; want zij joegen hen na van voor de poort tot aan Sebarim, en versloegen hen op de helling; waardoor de harten van het volk versmolten en werden als water.
6En Jozua scheurde zijn klederen en viel ter aarde op zijn aangezicht voor de ark van de HEER tot de avond, hij en de oudsten van Israël, en zij wierpen stof op hun hoofd.
7En Jozua zeide: Ach, HEER God, waarom hebt U dit volk toch de Jordaan overgeleid, om ons over te leveren in de hand der Amorieten, opdat zij ons zouden verdelgen? Hadden wij maar genoegen genomen en aan de overzijde van de Jordaan gebleven!
O HEER, wat zal ik zeggen, nu Israël de rug keert voor zijn vijanden!
Want de Kanaänieten en alle inwoners van het land zullen het horen, en zij zullen ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien; en wat zult U dan doen voor Uw grote naam?
10En de HEER zeide tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij aldus op uw aangezicht?
11Israël heeft gezondigd, en zij hebben ook mijn verbond overtreden dat Ik hun gebood; want zij hebben genomen van het gebannene, en ook gestolen, en ook bedrogen, en het zelfs onder hun eigen goederen gelegd.
12Daarom konden de kinderen van Israël niet standhouden voor hun vijanden, maar keerden de rug voor hun vijanden, omdat zij onder den ban waren; Ik zal voortaan niet meer met u zijn, tenzij gij het gebannene uit uw midden wegdoet.
13Sta op, heilig het volk en zeg: Heilig uzelf voor morgen; want zo zegt de HEER, de God van Israël: Er is een gebannene in uw midden, o Israël; gij kunt niet standhouden voor uw vijanden, totdat gij het gebannene uit uw midden wegdoet.