Terug naar Jozua 9
VSV
Statenvertaling

Jozua 9:12

Dit brood namen wij warm als proviand uit onze huizen op de dag dat wij uittrokken om naar u toe te gaan; maar zie nu, het is droog en beschimmeld geworden.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 9 — omringende verzen

7

En de mannen van Israël zeiden tot de Hevieten: Misschien woont u midden onder ons; hoe zouden wij dan een verbond met u kunnen sluiten?

8

En zij zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. En Jozua zeide tot hen: Wie bent u, en vanwaar komt u?

9

En zij zeiden tot hem: Uw knechten zijn gekomen uit een zeer ver land, om de naam van de HEER, uw God: want wij hebben Zijn faam gehoord en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft,

10

en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, aan Sihon, de koning van Hesbon, en aan Og, de koning van Basan, die te Astharoth woonde.

11

Daarom hebben onze oudsten en alle inwoners van ons land tot ons gezegd: Neemt proviand mee voor de reis en gaat hun tegemoet en zegt hun: Wij zijn uw knechten; sluit nu daarom een verbond met ons.

12

Dit brood namen wij warm als proviand uit onze huizen op de dag dat wij uittrokken om naar u toe te gaan; maar zie nu, het is droog en beschimmeld geworden.

13

En deze wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw; maar zie, zij zijn gescheurd. En onze kleren en onze schoenen zijn oud geworden door de zeer lange reis.

14

En de mannen namen van hun proviand en vroegen de HEER niet om raad.

15

En Jozua sloot vrede met hen en maakte een verbond met hen, om hen in leven te laten; en de vorsten van de vergadering zwoeren hun dit.

16

En het geschiedde, na drie dagen, nadat zij dit verbond met hen gesloten hadden, dat zij hoorden dat zij hun naburen waren en dat zij midden onder hen woonden.

17

En de kinderen Israëls braken op en kwamen op de derde dag bij hun steden. Hun steden nu waren Gibeon, Chefira, Beëroth en Kirjath-Jearim.