Leviticus 4:8
“En hij zal al het vet van de var voor het zondoffer daarvan afnemen: het vet dat de ingewanden bedekt, en al het vet dat op de ingewanden is,”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 4 — omringende verzen
Indien de gezalfde priester zondigt naar de schuld van het volk, zo brenge hij voor zijn zonde die hij gezondigd heeft, een gave var zonder gebrek aan de HEER tot een zondoffer.
4En hij zal de var brengen aan de deur van de tent der samenkomst voor het aangezicht van de HEER; en hij zal zijn hand op het hoofd van de var leggen en de var slachten voor het aangezicht van de HEER.
5En de gezalfde priester zal van het bloed van de var nemen en het naar de tent der samenkomst brengen.
6En de priester zal zijn vinger in het bloed dopen en van het bloed zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van de HEER, voor het voorhangsel van het heiligdom.
7En de priester zal wat van het bloed doen op de horens van het altaar van welriekend reukwerk voor het aangezicht van de HEER, hetwelk in de tent der samenkomst is; en al het bloed van de var zal hij gieten aan de voet van het brandofferaltaar, hetwelk aan de deur van de tent der samenkomst staat.
En hij zal al het vet van de var voor het zondoffer daarvan afnemen: het vet dat de ingewanden bedekt, en al het vet dat op de ingewanden is,
En de twee nieren met het vet dat daarop is, hetwelk bij de lendenen is, en het net boven de lever, dat hij met de nieren zal afnemen,
10Gelijk het van de var van de vredeoffergave afgenomen wordt; en de priester zal ze verbranden op het brandofferaltaar.
11En de huid van de stier, en al zijn vlees, met zijn kop en met zijn poten, en zijn ingewanden en zijn mest,
12De gehele stier zal hij buiten het kamp naar een reine plaats brengen, waar de as wordt uitgestort, en hem op het hout met vuur verbranden; waar de as wordt uitgestort, zal hij verbrand worden.
13En indien de gehele vergadering van Israël door onwetendheid zondigt, en de zaak verborgen is voor de ogen van de gemeente, en zij iets hebben gedaan tegen een van de geboden van de HEER aangaande dingen die niet gedaan mogen worden, en schuldig zijn;