Lukas 10:26
“Hij zeide tot hem: Wat is er in de wet geschreven? Hoe leest gij?”
Kruisverwijzingen
Context
Lukas 10 — omringende verzen
In datzelfde uur verheugde Jezus Zich in de Geest en zeide: Ik dank U, o Vader, Heer van hemel en aarde, dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en ze aan de kinderkens geopenbaard hebt; ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.
22Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
23En Hij keerde Zich naar Zijn discipelen en zeide vertrouwelijk: Zalig zijn de ogen die zien wat gij ziet;
24want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en het niet gezien hebben; en te horen wat gij hoort, en het niet gehoord hebben.
25En zie, een zekere wetgeleerde stond op en verzocht Hem om Hem te verzoeken, en zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Hij zeide tot hem: Wat is er in de wet geschreven? Hoe leest gij?
En hij antwoordde en zeide: Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand; en uw naaste als uzelf.
28En Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dit en gij zult leven.
29Maar hij, willende zichzelf rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?
30En Jezus antwoordde en zeide: Een zeker man daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van rovers, die hem van zijn kleding beroofden, hem slagen toebrachten en weggingen, hem half dood achterlatende.
31En bij toeval daalde een zekere priester langs diezelfde weg af; en toen hij hem zag, ging hij aan de overkant voorbij.