Lukas 8:16
“Niemand, wanneer hij een kaars heeft aangestoken, bedekt die met een vat of zet die onder een bed, maar zet die op een kandelaar, opdat zij die binnenkomen het licht zien.”
Kruisverwijzingen
Context
Lukas 8 — omringende verzen
Dit nu is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.
12Die langs de weg zijn, zijn zij die horen; dan komt de duivel en neemt het woord weg uit hun harten, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden.
13Die op de rots zijn, zijn zij die, wanneer zij horen, het woord met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, die voor een tijd geloven en in de tijd van verzoeking afvallen.
14En wat onder de doornen viel, zijn zij die, wanneer zij gehoord hebben, heengaan en verstikt worden door de zorgen en rijkdommen en genoegens van dit leven, en geen vrucht tot volkomenheid voortbrengen.
15Maar wat op de goede grond is, zijn zij die in een oprecht en goed hart het woord, gehoord hebbende, bewaren en met volharding vrucht voortbrengen.
Niemand, wanneer hij een kaars heeft aangestoken, bedekt die met een vat of zet die onder een bed, maar zet die op een kandelaar, opdat zij die binnenkomen het licht zien.
Want niets is verborgen, dat niet openbaar zal worden gemaakt, noch iets verholen, dat niet bekend zal worden en aan het licht zal komen.
18Neemt daarom in acht hoe gij hoort, want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, van hem zal genomen worden zelfs wat hij meent te hebben.
19Toen kwamen Zijn moeder en Zijn broeders tot Hem, en zij konden wegens de menigte niet bij Hem komen.
20En het werd Hem aangezegd door sommigen, die zeiden: Uw moeder en Uw broeders staan buiten en verlangen U te zien.
21En Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen die het woord Gods horen en het doen.