Mattheüs 15:30
“En grote scharen kwamen tot Hem, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, verminktenen vele anderen; en zij legden hen neer aan de voeten van Jezus, en Hij genas hen.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 15 — omringende verzen
Toen kwam zij en aanbad Hem, zeggende: Heer, help mij!
26Maar Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en voor de honden te werpen.
27En zij zeide: Ja, Heer; maar ook de honden eten van de kruimels die van de tafel van hun heren vallen.
28Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd genezen vanaf datzelfde uur.
29En Jezus vertrok van daar en kwam bij de zee van Galiléa; en Hij ging de berg op en zat daar neder.
En grote scharen kwamen tot Hem, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, verminktenen vele anderen; en zij legden hen neer aan de voeten van Jezus, en Hij genas hen.
Zodat de schare zich verwonderde toen zij zagen dat stommen spraken, verminktengezond werden, kreupelen wandelden en blinden zagen; en zij verheerlijkten de God van Israël.
32En Jezus riep Zijn discipelen tot Zich en zeide: Ik heb medelijden met de schare, omdat zij nu al drie dagen bij Mij blijven en niets te eten hebben; en Ik wil hen niet nuchteren wegzenden, opdat zij niet bezwijken op de weg.
33En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zouden wij in de woestijn zoveel broden krijgen om zo'n grote schare te verzadigen?
34En Jezus zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven, en enkele kleine vissen.
35En Hij gebood de schare neer te zitten op de grond.