Mattheüs 26:67
“Toen spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met de vuist; en anderen gaven Hem slagen met de vlakke hand,”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
En de hogepriester stond op en zei tot Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?
63Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde en zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.
64Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd; doch Ik zeg u: van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand der kracht, en komen op de wolken des hemels.
65Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zei: Hij heeft godslastering gesproken; wat hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.
66Wat dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig.
Toen spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met de vuist; en anderen gaven Hem slagen met de vlakke hand,
zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het die U geslagen heeft?
69Petrus nu zat buiten op de binnenplaats; en een dienstmaagd kwam tot hem en zei: Ook u was met Jezus de Galileeër.
70Maar hij ontkende het voor hen allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.
71En toen hij naar de voorportaal gegaan was, zag een andere dienstmaagd hem, en zij zei tot hen die daar waren: Deze was ook met Jezus van Nazareth.
72En weer ontkende hij het met een eed: Ik ken die man niet.