Mattheüs 9:28
“En toen Hij in het huis was gekomen, kwamen de blinden tot Hem; en Jezus zeide tot hen: Gelooft u dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heer.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 9 — omringende verzen
En toen Jezus in het huis van de overste gekomen was en de fluitspelers en de mensen die een misbaar maakten zag,
24Zeide Hij tot hen: Gaat weg; want het meisje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.
25Maar nadat de mensen eruit gezet waren, ging Hij naar binnen en pakte haar bij de hand, en het meisje stond op.
26En het gerucht hiervan verspreidde zich in dat gehele land.
27En toen Jezus vandaar wegging, volgden Hem twee blinden, die riepen en zeiden: Zoon van David, ontferm U over ons.
En toen Hij in het huis was gekomen, kwamen de blinden tot Hem; en Jezus zeide tot hen: Gelooft u dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heer.
Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide: Naar uw geloof geschiede u.
30En hun ogen werden geopend; en Jezus gebood hun met nadruk, en zeide: Ziet toe dat niemand het weet.
31Maar zij gingen heen en maakten Zijn faam bekend in dat gehele land.
32Toen zij weggingen, zie, zij brachten tot Hem een stomme man die door een duivel bezeten was.
33En nadat de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme; en de menigten verwonderden zich en zeiden: Zoiets is in Israël nooit gezien.