Numeri 32:14
“En zie, gij zijt opgestaan in de plaats uwer vaderen, een menigte van zondige mensen, om de brandende toorn des HEREN tegen Israël nog meer te ontsteken.”
Kruisverwijzingen
Context
Numeri 32 — omringende verzen
Want toen zij optrokken naar het dal Eskol en het land zagen, ontmoedigden zij het hart der kinderen Israëls, zodat zij het land niet zouden binnengaan dat de HEER hun gegeven had.
10En de toorn des HEREN ontbrandde te dier tijd, en Hij zwoer, zeggende:
11Waarlijk, niemand van de mannen die uit Egypte zijn opgetrokken, van twintig jaar oud en daarboven, zal het land zien dat ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb; omdat zij Mij niet volkomen gevolgd hebben;
12Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben de HEER volkomen gevolgd.
13En de toorn des HEREN ontbrandde tegen Israël, en Hij deed hen veertig jaar in de woestijn zwerven, totdat het gehele geslacht dat kwaad had gedaan in de ogen des HEREN was verteerd.
En zie, gij zijt opgestaan in de plaats uwer vaderen, een menigte van zondige mensen, om de brandende toorn des HEREN tegen Israël nog meer te ontsteken.
Want indien gij u van achter Hem afwendt, zal Hij hen wederom in de woestijn laten, en gij zult dit gehele volk verderven.
16En zij naderden tot hem en zeiden: Wij zullen hier schapenkooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kleinen;
17Maar wij zelf zullen gewapend voor de kinderen Israëls uittrekken, totdat wij hen naar hun plaats gebracht hebben; en onze kleinen zullen in de versterkte steden wonen vanwege de inwoners des lands.
18Wij zullen niet terugkeren naar onze huizen, totdat de kinderen Israëls een iegelijk zijn erfdeel geërfd hebben.
19Want wij zullen niet met hen erven aan gene zijde van de Jordaan of verder; want ons erfdeel is ons toegevallen aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten.