Terug naar Openbaring 6
VSV
Statenvertaling

Openbaring 6:10

En zij riepen met luider stem en zeiden: Hoelang, o Heer, heilig en waarachtig, oordeelt en wreekt U ons bloed niet op hen die op de aarde wonen?

Kruisverwijzingen

Context

Openbaring 6 — omringende verzen

5

En toen Hij het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie. En ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand.

6

En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren zeggen: Een maat tarwe voor een penning, en drie maten gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet.

7

En toen Hij het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie.

8

En ik zag, en zie, een vaal paard, en de naam van hem die daarop zat, was Dood, en het rijk van de dood volgde met hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde, om te doden met het zwaard en met honger en met de dood en door de wilde dieren der aarde.

9

En toen Hij het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen die gedood waren om het Woord Gods en om de getuigenis die zij hadden.

10

En zij riepen met luider stem en zeiden: Hoelang, o Heer, heilig en waarachtig, oordeelt en wreekt U ons bloed niet op hen die op de aarde wonen?

11

En aan ieder van hen werden witte kleding gegeven, en hun werd gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden zoals zij, voleindigd zouden zijn.

12

En ik zag toen Hij het zesde zegel geopend had, en zie, er kwam een grote aardbeving, en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.

13

En de sterren des hemels vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt wanneer hij door een hevige wind geschud wordt.

14

En de hemel week uiteen als een boekrol die opgerold wordt, en alle bergen en eilanden werden uit hun plaatsen bewogen.

15

En de koningen der aarde en de groten en de rijken en de oversten over duizend en de machtigen en elke slaaf en elke vrije verborgen zich in de spelonken en in de rotsen der bergen.