Terug naar Richteren 2
VSV
Statenvertaling

Richteren 2:15

Overal waar zij uittrokken, was de hand van de HEER tegen hen ten kwade, zoals de HEER gezegd had en zoals de HEER hun gezworen had; en zij werden zeer benauwd.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 2 — omringende verzen

10

En ook dat gehele geslacht werd tot zijn vaderen vergaderd; en er stond een ander geslacht na hen op, dat de HEER niet kende, noch ook de werken die Hij voor Israël gedaan had.

11

En de kinderen van Israël deden wat kwaad was in de ogen van de HEER, en dienden de Baäls.

12

En zij verlieten de HEER, de God van hun vaderen, die hen uit het land Egypte had geleid, en liepen andere goden na, de goden van de volken die rondom hen waren, en bogen zich daarvoor neer, en verbitterden de HEER.

13

En zij verlieten de HEER en dienden Baäl en Astarte.

14

En de toorn van de HEER ontstak tegen Israël, en Hij gaf hen over in de hand van plunderaars die hen plunderden, en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom, zodat zij niet langer stand konden houden voor hun vijanden.

15

Overal waar zij uittrokken, was de hand van de HEER tegen hen ten kwade, zoals de HEER gezegd had en zoals de HEER hun gezworen had; en zij werden zeer benauwd.

16

Nochtans verwekte de HEER richters, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden.

17

Maar zij luisterden zelfs niet naar hun richters, want zij hoereerden achter andere goden en bogen zich daarvoor neer; zij weken snel af van de weg waarop hun vaderen gewandeld hadden, gehoorzamende de geboden van de HEER; maar zij deden dat niet.

18

En wanneer de HEER hun richters verwekte, was de HEER met de richter en verloste hij hen uit de hand van hun vijanden al de dagen van de richter; want de HEER had berouw om hun gekerm, vanwege hen die hen verdrukten en kwelden.

19

En het geschiedde, wanneer de richter gestorven was, dat zij zich omkeerden en zich erger verdierven dan hun vaderen, door andere goden na te lopen om hen te dienen en zich daarvoor neer te buigen; zij hielden niet op met hun daden noch met hun halsstarrige weg.

20

En de toorn van de HEER ontstak tegen Israël, en Hij zei: Omdat dit volk mijn verbond heeft overtreden dat Ik hun vaderen geboden had, en niet naar mijn stem heeft geluisterd,