Richteren 6:22
“En toen Gideon bemerkte dat het een engel van de HEER was, zei Gideon: Ach, Heer HEER! Want ik heb een engel van de HEER van aangezicht tot aangezicht gezien.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 6 — omringende verzen
En hij zei tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat Gij met mij spreekt.
18Wijk toch niet van hier, totdat ik bij U kom, en mijn offergave breng en die voor U neerzet. En Hij zei: Ik zal blijven totdat gij weerkomt.
19En Gideon ging binnen, en maakte een geitenbokje gereed, en ongezuurde koeken van een efa meel; het vlees legde hij in een korf, en de bouillon deed hij in een pot, en hij bracht het tot Hem uit onder de eik, en zette het voor.
20En de Engel Gods zei tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op deze rots, en giet de bouillon uit. En hij deed zo.
21Toen stak de engel van de HEER het einde van de staf uit die in Zijn hand was, en raakte het vlees en de ongezuurde koeken aan; en er rees vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de engel van de HEER verdween uit zijn oog.
En toen Gideon bemerkte dat het een engel van de HEER was, zei Gideon: Ach, Heer HEER! Want ik heb een engel van de HEER van aangezicht tot aangezicht gezien.
En de HEER zei tot hem: Vrede zij u; vrees niet, gij zult niet sterven.
24Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de HEER, en noemde het Jehovah-Shalom. Tot op deze dag is het nog in Ofra der Abiëzrieten.
25En het geschiedde in diezelfde nacht, dat de HEER tot hem zei: Neem de jonge stier van uw vader, namelijk de tweede stier van zeven jaren oud, en breek het altaar van Baäl af dat uw vader heeft, en houw het gewijde bos af dat daarbij is.
26En bouw een altaar voor de HEER, uw God, op de top van deze rots, op de behoorlijke plaats, en neem de tweede stier, en offer een brandoffer met het hout van het gewijde bos dat gij zult afhouwen.
27Toen nam Gideon tien mannen van zijn knechten, en deed zoals de HEER tot hem gesproken had; en het geschiedde, omdat hij het huisgezin zijns vaders en de mannen der stad vreesde, dat hij het niet bij dag kon doen, dat hij het bij nacht deed.