Richteren 7:1
“Toen stond Jerubbaal, dat is Gideon, vroeg op met al het volk dat bij hem was, en zij legerden zich bij de bron van Harod; zodat het leger der Midianieten ten noorden van hen lag, bij de heuvel More, in het dal.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 7 — omringende verzen
Toen stond Jerubbaal, dat is Gideon, vroeg op met al het volk dat bij hem was, en zij legerden zich bij de bron van Harod; zodat het leger der Midianieten ten noorden van hen lag, bij de heuvel More, in het dal.
En de HEER zei tot Gideon: Het volk dat bij u is, is te talrijk voor Mij om de Midianieten in hun hand te geven, opdat Israël zich niet tegen Mij zou beroemen en zeggen: Mijn eigen hand heeft mij verlost.
3Welnu dan, roep ten gehore van het volk en zeg: Wie bevreesd en bang is, die kere terug en vertrekke vroeg van het gebergte Gilead. En er keerden van het volk twee en twintigduizend terug, en er bleven tienduizend over.
4En de HEER zei tot Gideon: Het volk is nog te talrijk; breng hen af naar het water, en Ik zal hen daar voor u beproeven; en het zal zo zijn: van wie Ik tot u zeg: Deze zal met u gaan, die zal met u gaan; en van ieder van wie Ik tot u zeg: Deze zal niet met u gaan, die zal niet gaan.
5Zo bracht hij het volk af naar het water; en de HEER zei tot Gideon: Ieder die het water likt met zijn tong, zoals een hond likt, die zult u apart zetten; evenzo ieder die op zijn knieën neervalt om te drinken.
6En het getal van hen die lapten, hun hand aan hun mond brengend, was driehonderd man; maar al de rest van het volk viel op zijn knieën neer om water te drinken.