Romeinen 4:6
“Gelijk ook David de zaligheid beschrijft van de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken,”
Kruisverwijzingen
Context
Romeinen 4 — omringende verzen
Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader naar het vlees, gevonden heeft?
2Want indien Abraham door de werken gerechtvaardigd is, heeft hij stof tot roem, maar niet voor God.
3Want wat zegt de Schrift? Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot gerechtigheid.
4Doch hem die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
5Maar hem die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.
Gelijk ook David de zaligheid beschrijft van de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken,
Zeggende: Zalig zijn zij wier ongerechtigheden vergeven zijn en wier zonden bedekt zijn.
8Zalig is de man aan wie de Heer de zonde niet zal toerekenen.
9Komt dan deze zaligheid over de besnijdenis alleen, of ook over de onbesnijdenis? Want wij zeggen dat het geloof Abraham gerekend is tot gerechtigheid.
10Hoe werd het dan gerekend? Toen hij in de besnijdenis was, of in de onbesnijdenis? Niet in de besnijdenis, maar in de onbesnijdenis.
11En hij ontving het teken der besnijdenis, een zegel van de gerechtigheid des geloofs die hij had in de onbesnijdenis, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven in de onbesnijdenis, opdat hun ook de gerechtigheid toegerekend zou worden;