1 Kronieken 25:11
“het vierde aan Izri, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 25 — omringende verzen
Al dezen stonden onder de leiding van hun vader voor de zang in het huis van de HEER, met cimbalen, luiten en harpen, voor de dienst van het huis van God, overeenkomstig het bevel van de koning aan Asaf, Jeduthun en Heman.
7Zo was hun getal, met hun broeders die onderwezen waren in de liederen van de HEER, allen die bekwaam waren, tweehonderdachtentachtig.
8En zij wierpen het lot, wacht tegen wacht, zowel de kleine als de grote, de meester zowel als de leerling.
9Nu viel het eerste lot voor Asaf aan Jozef; het tweede aan Gedalja, die met zijn broeders en zonen twaalf waren;
10het derde aan Zakkur, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;
het vierde aan Izri, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;
het vijfde aan Nethanja, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;
13het zesde aan Bukkia, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;
14het zevende aan Jesaréla, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;
15het achtste aan Jesaja, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;
16het negende aan Mattanja, hij, zijn zonen en zijn broeders waren twaalf;