1 Kronieken 4:29
“En te Bilha, en te Ezem, en te Tolad,”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 4 — omringende verzen
De zonen van Simeon waren: Nemuël en Jamin, Jarib, Zerach en Saul;
25Sallum zijn zoon, Mibsam zijn zoon, Misma zijn zoon.
26En de zonen van Misma: Hamuël zijn zoon, Zakkur zijn zoon, Simeï zijn zoon.
27En Simeï had zestien zonen en zes dochters; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen, en het gehele geslacht vermenigvuldigde niet zoveel als de kinderen van Juda.
28En zij woonden te Berseba, en Molada, en Hasar-Sual,
En te Bilha, en te Ezem, en te Tolad,
En te Betuël, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Bet-Marcabot, en Hasar-Susim, en te Bet-Biri, en te Saaraïm. Dit waren hun steden tot aan de regering van David.
32En hun gehuchten waren: Etam, en Ain, Rimmon, en Tochen, en Asan — vijf steden;
33En al hun gehuchten die rondom deze steden lagen, tot aan Baäl. Dit waren hun woonplaatsen en hun geslachtsregister.
34En Messobab, en Jamlech, en Josah, de zoon van Amazia,