1 Kronieken 4:30
“En te Betuël, en te Horma, en te Ziklag,”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 4 — omringende verzen
Sallum zijn zoon, Mibsam zijn zoon, Misma zijn zoon.
26En de zonen van Misma: Hamuël zijn zoon, Zakkur zijn zoon, Simeï zijn zoon.
27En Simeï had zestien zonen en zes dochters; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen, en het gehele geslacht vermenigvuldigde niet zoveel als de kinderen van Juda.
28En zij woonden te Berseba, en Molada, en Hasar-Sual,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tolad,
En te Betuël, en te Horma, en te Ziklag,
En te Bet-Marcabot, en Hasar-Susim, en te Bet-Biri, en te Saaraïm. Dit waren hun steden tot aan de regering van David.
32En hun gehuchten waren: Etam, en Ain, Rimmon, en Tochen, en Asan — vijf steden;
33En al hun gehuchten die rondom deze steden lagen, tot aan Baäl. Dit waren hun woonplaatsen en hun geslachtsregister.
34En Messobab, en Jamlech, en Josah, de zoon van Amazia,
35En Joël, en Jehu, de zoon van Josibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël,