1 Kronieken 4:33
“En al hun gehuchten die rondom deze steden lagen, tot aan Baäl. Dit waren hun woonplaatsen en hun geslachtsregister.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 4 — omringende verzen
En zij woonden te Berseba, en Molada, en Hasar-Sual,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tolad,
30En te Betuël, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Bet-Marcabot, en Hasar-Susim, en te Bet-Biri, en te Saaraïm. Dit waren hun steden tot aan de regering van David.
32En hun gehuchten waren: Etam, en Ain, Rimmon, en Tochen, en Asan — vijf steden;
En al hun gehuchten die rondom deze steden lagen, tot aan Baäl. Dit waren hun woonplaatsen en hun geslachtsregister.
En Messobab, en Jamlech, en Josah, de zoon van Amazia,
35En Joël, en Jehu, de zoon van Josibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël,
36En Elioenai, en Jaäkoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiël, en Jesimiel, en Benaja,
37En Ziza, de zoon van Sifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja;
38Dezen die met name vermeld worden, waren vorsten in hun geslachten; en het huis van hun vaderen nam zeer toe.