Terug naar 1 Samuël 14
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 14:29

Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land in beroering gebracht; zie toch hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honig geproefd heb.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 14 — omringende verzen

24

En de mannen van Israël werden benauwd op die dag, want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man die enig voedsel eet tot de avond, totdat ik mij gewroken heb aan mijn vijanden. Zo proefde het gehele volk geen voedsel.

25

En heel het volk van het land kwam in een woud, en er was honig op de grond.

26

En toen het volk in het woud kwam, zie, daar droop de honig; maar niemand bracht zijn hand naar zijn mond, want het volk vreesde de eed.

27

Maar Jonathan had niet gehoord toen zijn vader het volk de eed oplegde; daarom stak hij het einde van de stok uit die in zijn hand was, en doopte die in een honingraat, en bracht zijn hand naar zijn mond; en zijn ogen werden verlicht.

28

Toen antwoordde een uit het volk en zeide: Uw vader heeft het volk uitdrukkelijk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man die heden enig voedsel eet. En het volk was flauw.

29

Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land in beroering gebracht; zie toch hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honig geproefd heb.

30

Hoeveel te meer, indien het volk heden vrijelijk gegeten had van de buit zijner vijanden die het gevonden heeft? Want zou er nu niet een veel grotere slachting onder de Filistijnen geweest zijn?

31

En zij sloegen de Filistijnen op die dag van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer flauw.

32

En het volk stortte zich op de buit, en nam schapen en runderen en kalveren, en slachtte ze op de grond; en het volk at met het bloed erbij.

33

Toen berichtte men Saul, zeggende: Zie, het volk zondigt tegen de HEER, doordat het met het bloed eet. En hij zeide: Gij hebt trouweloos gehandeld; wentelt heden een grote steen naar mij toe.

34

En Saul zeide: Verspreidt u onder het volk en zegt tot hen: Brengt mij hier een ieder zijn os en een ieder zijn schaap, en slacht ze hier, en eet; en zondigt niet tegen de HEER door met het bloed te eten. En al het volk bracht een ieder zijn os met zich mee in die nacht, en zij slachtten ze daar.