1 Samuël 14:34
“En Saul zeide: Verspreidt u onder het volk en zegt tot hen: Brengt mij hier een ieder zijn os en een ieder zijn schaap, en slacht ze hier, en eet; en zondigt niet tegen de HEER door met het bloed te eten. En al het volk bracht een ieder zijn os met zich mee in die nacht, en zij slachtten ze daar.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 14 — omringende verzen
Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land in beroering gebracht; zie toch hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honig geproefd heb.
30Hoeveel te meer, indien het volk heden vrijelijk gegeten had van de buit zijner vijanden die het gevonden heeft? Want zou er nu niet een veel grotere slachting onder de Filistijnen geweest zijn?
31En zij sloegen de Filistijnen op die dag van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer flauw.
32En het volk stortte zich op de buit, en nam schapen en runderen en kalveren, en slachtte ze op de grond; en het volk at met het bloed erbij.
33Toen berichtte men Saul, zeggende: Zie, het volk zondigt tegen de HEER, doordat het met het bloed eet. En hij zeide: Gij hebt trouweloos gehandeld; wentelt heden een grote steen naar mij toe.
En Saul zeide: Verspreidt u onder het volk en zegt tot hen: Brengt mij hier een ieder zijn os en een ieder zijn schaap, en slacht ze hier, en eet; en zondigt niet tegen de HEER door met het bloed te eten. En al het volk bracht een ieder zijn os met zich mee in die nacht, en zij slachtten ze daar.
En Saul bouwde een altaar voor de HEER; dit was het eerste altaar dat hij bouwde voor de HEER.
36En Saul zeide: Laten wij bij nacht achter de Filistijnen aantrekken en hen plunderen tot het morgenlicht, en laten wij geen man van hen overlaten. En zij zeiden: Doe alles wat goed is in uw ogen. Toen zeide de priester: Laten wij hier tot God naderen.
37En Saul raadpleegde God: Zal ik achter de Filistijnen aantrekken? Zult U hen in de hand van Israël geven? Maar Hij antwoordde hem op die dag niet.
38Toen zeide Saul: Treedt hierheen, alle oversten van het volk, en onderzoekt en ziet waarin deze zonde heden geweest is.
39Want zo waarachtig de HEER leeft, Die Israël verlost: al is het in mijn zoon Jonathan, hij zal voorzeker sterven. Maar er was niemand uit het gehele volk die hem antwoordde.