Terug naar 1 Samuël 14
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 14:36

En Saul zeide: Laten wij bij nacht achter de Filistijnen aantrekken en hen plunderen tot het morgenlicht, en laten wij geen man van hen overlaten. En zij zeiden: Doe alles wat goed is in uw ogen. Toen zeide de priester: Laten wij hier tot God naderen.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 14 — omringende verzen

31

En zij sloegen de Filistijnen op die dag van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer flauw.

32

En het volk stortte zich op de buit, en nam schapen en runderen en kalveren, en slachtte ze op de grond; en het volk at met het bloed erbij.

33

Toen berichtte men Saul, zeggende: Zie, het volk zondigt tegen de HEER, doordat het met het bloed eet. En hij zeide: Gij hebt trouweloos gehandeld; wentelt heden een grote steen naar mij toe.

34

En Saul zeide: Verspreidt u onder het volk en zegt tot hen: Brengt mij hier een ieder zijn os en een ieder zijn schaap, en slacht ze hier, en eet; en zondigt niet tegen de HEER door met het bloed te eten. En al het volk bracht een ieder zijn os met zich mee in die nacht, en zij slachtten ze daar.

35

En Saul bouwde een altaar voor de HEER; dit was het eerste altaar dat hij bouwde voor de HEER.

36

En Saul zeide: Laten wij bij nacht achter de Filistijnen aantrekken en hen plunderen tot het morgenlicht, en laten wij geen man van hen overlaten. En zij zeiden: Doe alles wat goed is in uw ogen. Toen zeide de priester: Laten wij hier tot God naderen.

37

En Saul raadpleegde God: Zal ik achter de Filistijnen aantrekken? Zult U hen in de hand van Israël geven? Maar Hij antwoordde hem op die dag niet.

38

Toen zeide Saul: Treedt hierheen, alle oversten van het volk, en onderzoekt en ziet waarin deze zonde heden geweest is.

39

Want zo waarachtig de HEER leeft, Die Israël verlost: al is het in mijn zoon Jonathan, hij zal voorzeker sterven. Maar er was niemand uit het gehele volk die hem antwoordde.

40

Toen zeide hij tot heel Israël: Weest gij aan de ene kant, en ik en mijn zoon Jonathan zullen aan de andere kant zijn. En het volk zeide tot Saul: Doe wat goed is in uw ogen.

41

Daarom zeide Saul tot de HEER, de God van Israël: Geef een volkomen lot. En Saul en Jonathan werden getroffen, maar het volk ontkwam.